Publicaties

De kwestie privégebruik auto van de zaak
Een fiscale verandering die de tongen in werkgeversland iedere keer weer losmaakt betreft:”de auto van de zaak”

Verschuivingen in een fiscaal landschap
Vrijwel alle grote en kleine verwerkers van loongegevens in Nederland kampen met hetzelfde probleem: grote aantallen werkgevers zijn niet of nauwelijks in beweging gekomen

Organisatorische- en fiscale veranderingen in de gezondheidszorg
Al sinds het einde van de jaren negentig van de vorige eeuw is sprake van stevige veranderingen binnen de gezondheidszorg.

Interview met Theo Bisschops over de Nederlandse gezondheidszorg
De relatie tussen prijs en kwaliteit van de zorg kan pas zichtbaar worden als de zorgconsument zelf kan beschikken en keuzes kan maken over de besteding van de financiële middelen voor zijn zorgverlening

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De kwestie privé gebruik auto van de zaak
Door Theo Bisschops en Alexander Mus

Een fiscale verandering die de tongen in werkgeversland iedere keer weer losmaakt betreft:”de auto van de zaak”.

Als arbeidsvoorwaarde is de auto die de werkgever aan de werknemer ter beschikking stelt inmiddels redelijk ingeburgerd. Het gebruik van de auto van de zaak  voor niet alleen zakelijk te rijden kilometers maar ook voor het privé –gebruik was tot  nu toe vooral een aangelegenheid voor de werknemer en de fiscus via de bijtelling van 22% over de cataloguswaarde in de inkomstenbelasting. De eventuele bijdragen die de werknemer aan de werkgever vergoed voor dit privé - gebruik  komen in mindering op de bijtelling. Met andere woorden de bijtelling van het privé –gebruik van de auto verhoogt het belastbare inkomen en dan wordt daar het tarief op losgelaten.

Uitzondering op de bijtellingregeling betreft degene die als werknemer minder dan 500 kilometers per jaar rijdt voor privé - doeleinden in de door de werkgever ter beschikking gestelde auto. De bewijslast voor deze uitzondering ligt bij de werknemer die een sluitende kilometer-  administratie dient bij te houden “van dag tot dag”. In de praktijk toch vaak een bron van veel discussies tussen fiscus en werknemer. Breed is de steun voor beperking van de administratieve belasting van de ondernemer. Daarom is het bijzonder dat vanaf 1 januari 2006 de werkgever er weer een taak bij krijgt, die tot nu toe bij de fiscus thuishoort.

Vanaf 1 januari 2006 wordt de bijtelling van 22% van de catalogusprijs van de auto van de zaak namelijk beschouwd als loon uit dienstbetrekking! Dat betekent dus dat de werkgever vanaf het nieuwe jaar per loonperiode een evenredig deel van die 22 % bij het loon van de werknemer optelt. Vervolgens houdt de werkgever loonbelasting en premies volksverzekering in en daar bovenop ook nog eens de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (in de praktijk 6,5 %  over maximaal €30.015). De privé –bijtelling auto van de zaak wordt overigens noch beschouwd als  “loon” waarover het pensioen wordt opgebouwd noch vormt het een deel van de grondslag waarop de levensloopregeling wordt toegepast! Kortom de werkgever wordt geacht deze werkzaamheden uit te voeren en tevens de controlefunctie op de eventueel te voeren kilometer - administratie indien een werknemer de bijtelling voor privé- gebruik achterwege wenst te laten. Daar is veel weerstand tegen gerezen uit werkgevershoek, maar ook vanuit de werknemersbelangen. Immers naast de administratieve belasting die deze maatregel met zich meebrengt is er ook sprake van een mogelijk verregaande bemoeienis van de werkgever met de privé –situatie van een werknemer.

Welnu aan de protesten is tegemoet gekomen. Als een werknemer er van overtuigd is dat de auto van de zaak voor niet meer dan 500 kilometers op kalenderjaarbasis voor privé –doeleinden wordt gebruikt dan kan een verklaring aan de Belastingdienst worden aangevraagd (“verklaring geen privé –gebruik”ofwel de “vgpg”). Naar schatting gaat het om zo`n 40.000 werknemers die een dergelijk verklaring zullen aanvragen.

De werknemer blijft verplicht om een sluitende rittenadministratie te maken en te bewaren, controle hierop geschiedt echter weer door de fiscus. De werknemer die wel een “vgpg” heeft maar géén bewijs kan leveren  kan te maken krijgen met naheffingen  (loonbelasting, premies sociale verzekeringen en inkomensafhankelijke Zorgverzekeringswet). De werknemer geeft een afschrift van de hier genoemde verklaring aan de werkgever die van bijtelling van privé –gebruik kan afzien. Maar de werkgever moet wel te goeder trouw zijn. Dus zal de werkgever er in overleg met de werknemer zich er van moeten overtuigen dat hij als werkgever redelijker wijze van uit mocht gaan dat de werknemer niet de 500 kilometers op jaarbasis voor privé –doeleinden zal overschrijden. De verklaring blijft geldig zolang de werknemer maar minder dan die 500 kilometers privé rijdt met de auto van de zaak. Wordt de auto tussentijds vervangen of wisselt de werknemer van baan dan blijft de verklaring geldig.

Moet nu iedere werknemer die denkt beneden die grens te blijven zo`n verklaring aanvragen? Neen er zijn situaties waarin dat achterwege kan blijven, zoals wanneer de werkgever een collectieve afspraak heeft gemaakt met de Belastingdienst . Wanneer de werknemer een bestelauto ter beschikking heeft van de baas ,die buiten werktijd niet gebruikt kan worden omdat de bewuste wagen altijd geparkeerd wordt op een afgesloten bedrijfsterrein en dat ook gecontroleerd kan worden , behoort  dat eveneens tot de uitzonderingen waar de bijtelling wegens privé gebruik achterwege kan blijven. Soms zie je dat de werkgever de werknemer in een reglement of brief de werknemer uitdrukkelijk verbiedt om de bestelauto voor privé –doeleinden te gebruiken. Als dat ook echt goed gecontroleerd en zo nodig merkbaar wordt “bestraft” door de werkgever dan behoort ook dit tot de uitzonderingen.

Een veel voorkomende situatie tenslotte betreft  het gemengde gebruik van busjes of bestelwagens door meerdere werknemers. Omdat dan het privé gebruik nauwelijks is vast te stellen kan de werkgever het privé gebruik afkopen voor circa € 300 per bestelauto of busje.

Het is dus zaak dat zowel werkgever als werknemer zich terdege vòòr 1 januari 2006 druk maken over de toepasselijke situatie rond het privé –gebruik “ auto van de zaak!”

Theo Bisschops en Alexander Mus zijn werkzaam bij Inventive Control Accountants en Belastingadviseurs te `s Hertogenbosch.

Terug naar publicaties
joop

Verschuivingen in een fiscaal landschap voor werkgevers.

Vrijwel alle grote en kleine verwerkers van loongegevens in Nederland kampen met hetzelfde probleem: grote aantallen werkgevers zijn niet of nauwelijks in beweging gekomen. En dat terwijl per 1 januari 2006 misschien wel één van de omvangrijkste veranderingen optreedt voor werkgevers en hun loonadministraties in de afgelopen veertig jaar.

Het niet in beweging komen is niet alleen ongezond maar ook onverstandig en duur. Waar het om gaat is dat de overheid heeft bepaald dat er minder administratieve lasten voor werkgevers moeten komen (wel makkelijker, niet leuker). Daarom wordt de werkgever vanaf 1 januari 2006 verplicht de loonheffing en de premies werknemersverzekeringen in één bedrag op te geven en af te dragen aan de Belastingdienst. Dat onder de term “de loonaangifte”.

De huidige situatie is nog dat de aangifte loonbelasting en premies werknemersverzekeringen afzonderlijk worden opgegeven en betaald aan respectievelijk de Belastingdienst en het UWV.

Voor de betrokken uitvoeringsinstanties en de werkgevers verandert er dus nogal wat. Zo wordt de Uitvoeringsinstelling Werknemers Verzekeringen (UWV) uitsluitend verantwoordelijk voor het vaststellen en verstrekken van uitkeringen in het kader van de werknemersverzekeringen. Het UWV functioneert straks als een echte polisadministratie. Want het UWV houdt in een databank gegevens bij over voor werknemers en werkgevers belangrijke onderwerpen als: arbeidsverhouding, arbeidsverleden, de verzekeringplicht, het inkomen en uitkeringsrechten.

Maar er zijn er meer die graag in de databank willen kijken zoals: het Centraal Bureau voor de Statistiek, de zorgverzekeraars, sociale diensten en instellingen als CWI en Sociale Verzekeringsbank.

De Belastingdienst krijgt een nog grotere rol in de relatie met werkgevers. Want over belangrijke begrippen als: werkgeverschap, werknemerschap en verzekeringsplicht is de fiscus vanaf 1 januari 2006 leidend.

De nu bestaande werkwijze rondom de afgifte van “Verklaringen Arbeids Relatie” (de VAR- verklaring) waarbij de Belastingdienst prominent naar voren komt richting aanvrager zal worden voortgezet. De interne communicatie tussen Belastingdienst en UWV blijft grotendeels buitenbeeld voor de aanvrager. UWV en Belastingdienst voeren dus echt samen uit.

Het streven is om zo in uitvoering en rechtspraak één helder loonbegrip te introduceren waardoor de administratie van de werkgever minder belast wordt. Maar zoals altijd in Nederland wordt op een en hetzelfde moment dat er duidelijkheid en eenheid komt in een wet ook weer uitzonderingen gemaakt. Zo worden: het privé- gebruik auto van de zaak, bepaalde uitwerkingen voor de Levensloopregeling en de werkgeversbijdrage in de Zorgverzekeringswet wel in de loonbelasting betrokken maar weer buiten beschouwing gelaten voor de premieheffing sociale verzekeringen! Zo blijven er in de praktijk ondanks het streven naar eenvoud en uniformiteit toch weer drie begrippen “loon” bestaan: loon LB(loonbelasting), loon SV(sociale verzekeringen) en loon ZVW(zorgverzekeringswet).

De weerbarstigheid van de praktijk heeft in het verleden al geleid tot een uitzonderingssituatie voor de directeur/grootaandeelhouder(dga). Afhankelijk van diens machtspositie in zijn eigen besloten vennootschap (50% aandelenbezit of meer) kon voor de sfeer van de werknemersverzekeringen verschil optreden in de beantwoording van de vraag of de betrokken persoon in de eigen BV naast inhouding en afdracht van loonbelasting ook premies SV verschuldigd was. En natuurlijk met als keerzijde dat er aan kant als verzekerde ook uitkeringsrechten tegenover stonden. In 1985 al heeft de Centrale Raad van Beroep als hoogste rechter in Sociale Verzekeringen bepaald dat een dga die de meerderheid van de aandelen in zijn eigen BV heeft geen gezagsverhouding met zichzelf heeft en dus geen rechten en plichten heeft voor de sociale verzekeringen! Voor de loonbelasting is er wel sprake van een dienstbetrekking en dus wel inhoudingplicht.

Dat geeft dus ook na 1 januari 2006 nog geen echte duidelijkheid. Persoonlijk geloof ik dat de rol van de Hoge Raad als belangrijkste rechtspreker na 1 januari zowel voor de loonbelasting als voor de sociale verzekeringen naar eenheid van beleid en begrip zal leiden. Maar er zal nog heel wat water door de Dieze gaan voordat alle verschillen zijn opgelost. Tot die tijd blijven heel wat administraties met extra werk zitten.

Werkgevers groot of klein hebben een belangrijke verantwoordelijkheid om op tijd en vooraf aan de Belastingdienst door te geven of er sprake is van een nieuwe werknemer. Ook wijzigingen in de status moeten heel snel worden doorgegeven. Want het gemak van één loket (De Belastingdienst) gecombineerd met de mogelijkheid vooraf zekerheid te krijgen over de vraag of iemand wel in loondienst is heeft een duidelijke keerzijde: aangescherpte boetes en andere sancties. En dat is niet leuk!

Terug naar publicaties

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Organisatorische- en fiscale veranderingen in de gezondheidszorg

In dit artikel komen enkele organisatorische en fiscale effecten van de onafwendbare veranderingen in de gezondheidszorg, in het bijzonder die van de eerste lijn , aan de orde. Want de gevolgen van de veranderingen zijn vaak ingrijpend en er lijkt met rasse schreden een einde te komen aan het huidige relatief gesloten stelsel van centraal gestuurde marktwerking, regelgeving en financiering van de gezondheidszorg in Nederland. Dat leidt bij velen tot grote verontrusting, want de gevolgen zijn vaak ingrijpend. Al sinds het einde van de jaren negentig van de vorige eeuw is sprake van stevige veranderingen binnen de gezondheidszorg. Schaalvergroting, fusie- en saneringsoperaties en budgetgestuurde zorgontwikkeling zijn herkenbare processen die in de ziekenhuis- en AWBZ-sector merkbare sporen hebben achtergelaten. Maar ook de eerste lijnsgezondheidszorg heeft zo zijn sporen meegekregen. De invloed bijvoorbeeld van de werking van de Mededingingswet(noot) en haar toezichthouder Nederlandse Mededingings Autoriteit (Nma) is door veel  brancheorganisaties en de aangesloten professionals in veel gevallen als shockerend ervaren. Ineens werd duidelijk dat de wijze waarop de vraag –aanbod situatie in deze sector functioneerde, de toets van objectieve marktwerking ten aanzien van onderwerpen als concurrentiebeperkende afspraken alsmede collectieve prijs- en kortingsafspraken niet konden doorstaan. Voor de huisartsenzorg betekende dit onder meer dat de onderlinge afspraken over de vestigingsvoorwaarden voor nieuwe huisartsen alsmede de gemeenschappelijke onderhandelingen om te komen tot prijsafspraken met zorgverzekeraars als strijdig met de spelregels voor vrije marktwerking werden geacht. In zijn algemeenheid zijn de ontvouwde gedachten van alle betrokken partijen een worsteling met het al jaren bestaande zorgstelsel in Nederland. Sedert de Tweede Wereldoorlog is het zorgstelsel te karakteriseren, als een stelsel dat op aanspraken is gebaseerd (Ziekenfondswet) en door aanbodgerichte sturing inspeelt op de consumenten/patiëntenvraag. De financiering wordt vooral door de overheid budgettair geregisseerd via de tarievenstructuur die door desbetreffende wet (WTG) en daaraan verbonden uitvoeringsorganisatie(CTG-ZA i.o zie Noot) wordt bepaald. Het merendeel van de door zorgverzekeraars in te kopen aanspraken bij zorgaanbieders wordt gefinancierd door de consument via de op te brengen premies (zowel ziekenfonds als particulier).
De omslag in denken en de te verwachten wijziging in het huidige verzekeringsstelsel ( zie: Noot: toelichting hoofdlijn en bron VWS) straks na 2006 wordt in de sector niet alleen ingegeven door de intrede van de marktwerking als gevolg van de Mededingingswetgeving. Het wordt ook ingegeven door de in de ogen van velen achterhaalde structuur van de gezondheidszorg, waarbij door de overheid via de aanbodkant getracht werd jarenlang de groeiende zorgvraag van patiënten op alle mogelijke manieren te sturen. De algemene overtuiging heerst dat er veel meer op de vraag van de patiënt /consument moet worden ingespeeld. In de wetgeving is er sedert de jaren 70 van de vorige eeuw al in ruime mate een trend zichtbaar die meer bescherming wenst te bieden aan de rechtspositie van de individuele patiënt
Alle financieringsstromen, inclusief de geldstromen gericht op de deskundigheidsbevordering en ondersteuning van belangenorganisaties en hun individuele leden, die tot 1 januari 2005 door de Zorgverzekeraars werden omgeleid via die koepels, zijn met instemming van de politiek nu in handen van de zorgverzekeraars.Verzekeraars (nu nog ziekenfondsen en particuliere maatschappijen) hebben dus naast de zorg - inkoopfunctie ten behoeve van de premiebetalende verzekerde òòk nog een regierol in de zorg en òòk nog eens verantwoordelijkheid voor de continuïteit van de aangeboden zorg!Het moet dus efficiënter en overzichtelijker. De roep om ondersteuning van de professionals in de eerste lijn is niet nieuw. Door schaarste aan aanbod kant,de daarbij behorende verschuivingen in de afgelopen jaren en de veranderingen in de zorgvraag, de zorgfrequentie en de inhoud van de verleende zorg is bijna iedereen er van overtuigd dat er in de organisatie van de eerste lijn wat moet veranderen wil er over een paar jaar nog sprake zijn van “de eerste lijn”. Er moet meer gebeuren. Een goed ondersteunde huisarts kan veel betekenen voor de patiënt en de gezondheidszorg. Adequate zorg op maat dicht bij de mensen in de wijk is ook wat veel mensen willen. Veel vragen komen op het bord van de dokter terwijl ze daar niet thuishoren. Dan moet snelle interventie en verwijzing uiteindelijk de oplossing bieden.De marktontwikkeling aan aanbod kant laat zien dat het vak huisarts voornamelijk nog interessant wordt gevonden door studenten die letterlijk “alleen met het vak bezig willen zijn”. Honorering en roeping hebben niet meer voldoende wervingskracht. De randvoorwaarden moeten goed worden ingevuld. Daar hoort bij het wegnemen van de onnodige ballast op het gebied van: administratie, financiering, informatietechnologie, werkgeversverantwoordelijkheid, onderhandelingsprocessen en participatie in zorgnetwerken. Dat zijn de diensten die het facilitair bedrijf graag wil aanbieden aan bestaande en toekomstige klanten. Uiteraard is dat ook in het belang van de eigen organisatie die als partner fungeert in het facilitaire bedrijf. Maar dat is niet verkeerd. Als een en ander maar goed te onderscheiden valt en er een voldoende transparantie wordt geboden tussen prestaties en beloningen. Want er zal wel gewerkt moeten worden onder het motto: “voor wat hoort wat!”.Veel van deze ontwikkelingen roepen naast organisatorische vragen ook fiscale vragen en gevolgen op.Op grond van de “Richtsnoeren voor bedrijven in de zorgsector” van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) (noot)kan worden vastgesteld dat het is geoorloofd facilitaire structuren op te richten en te onderhouden die niet in strijd komen met het principe van vrije marktwerking als het gaat om:

  • Aanbieders die onderdeel zijn van een onderneming
  • Afspraken tussen niet –concurrenten
  • Afspraken over kwaliteit
  • Het gezamenlijk uitvoeren van projecten die de onderneming alleen niet zou kunnen uitvoeren (bijvoorbeeld gezamenlijke waarneming en gezamenlijk opzetten van electronische netwerken)
  • Afspraken op het gebied van de administratie
  • Vrijblijvende calculatieschema’s zolang daarin niet concrete prijzen zijn opgenomen

Structuren en delegatie
Binnen de eerste lijngezondheidszorg bestaan al jaren organisaties die professioneel ondersteunende taken vanuit bijvoorbeeld het huisartsenwerk organiseren en zelfstandig aanbieden. Als voorbeeld gelden de diagnostische centra voor huisartsen: soms als zelfstandige ondersteuningsstructuur voor huisartsen opgezet voor allerhande diagnostische functieonderzoeken (van bloedafname en diagnose tot echografie) maar ook in de vorm van verzelfstandigde eenheden van ziekenhuizen of tussenvormen.De dienstverlening van de diagnostische centra is met de hiervoor geschetste ontwikkelingen waarbij meer behoefte komt aan de organisatie van facilitaire diensten in de eerste lijn in rap tempo aan het groeien..Maar ook nieuwe rechtspersonen komen ten tonele. Zo zijn er diverse stichtingen en coöperatieve verenigingen opgericht voor het organiseren van avond- nacht en weekend diensten van aangesloten huisartsen. Op basis van wettelijke regelgeving zijn dit nu erkende instellingen in de eerste lijn gezondheidszorg.Verder zijn er stichtingen opgericht om als werkgever namens de huisartsen op te treden voor nieuwe beroepen als de praktijkondersteuner en nurse practioners (noot).Doordat steeds meer taken vanuit de medische professional worden uitbesteed aan derden, roept dat tevens naast vragen van juridische en financiële aard (aansprakelijkheid, bevoegdheid, privacy en wie betaalt voor wat) ook fiscale vragen op.Door deze ontwikkelingen betreedt de gezondheidssector de markt waar men gewend is om bovenop verrichte prestaties en diensten normaliter BTW (Belasting Toegevoegde Waarde) in rekening te brengen aan klanten en zelf betaalde BTW daarmee te verrekenen.Dat heeft grote gevolgen voor een deel van de samenleving waar men het BTW -verschijnsel op grond van de geldende wettelijke systematiek nauwelijks van belang achtte. Voor een beter begrip van de optredende knelpunten volgt eerst een korte uiteenzetting van het huidige Nederlandse BTW systeem voor de gezondheidszorg.

BTW aspecten gezondheidszorg in Nederland en Europa
In Nederland geldt een vrijstelling voor de BTW voor diensten door beoefenaren van een beroep waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG)(Noot).[1] De belastingdienst heeft bij de toepassing van deze vrijstelling steeds het standpunt ingenomen dat de vrijstelling betrekking heeft op alle diensten die deze beroepsbeoefenaren als zodanig uitoefenen zoals bijvoorbeeld laboratoriumonderzoek. Beroepen die niet zijn geregeld bij de Wet BIG vallen niet onder de vrijstelling, ook al verrichten de beoefenaren ervan medische diensten.Op basis van uitspraken van het Europese Hof moet worden geconcludeerd dat de BTW vrijstelling voor medische prestaties in de Wet op de omzetbelasting 1968 ruimer is dan de vrijstelling in de Zesde BTW-richtlijn.De belastingdienst (lees het Ministerie van Financiën) handelt dus in strijd met Europese regelgeving.

Mijn visie is op basis van hetgeen hiervoor al werd geduid:over niet medische diensten is gewoon BTW verschuldigd. De gezondheidszorg moet maar wennen aan het feit dat over niet medische prestaties BTW wordt geheven.Budgetten in de zorg zijn hier niet op berekend, maar men zal op grond van voortschrijdend inzicht moeten leren leven met de BTW-component als onderdeel van de kosten in de zorg.Hier een paar voorbeelden uit de praktijk:

Ter beschikking stelling personeel
Het ter beschikking stellen van personeel in de gezondheidszorg is in bepaalde gevallen vrijgesteld, mits de uitleensituatie structureel van karakter is en de inlener zich in materiële zin als werkgever opstelt. Als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, is de vrijstelling van toepassing(noot) Deze zijn:het personeel moet ter beschikking worden gesteld door een ondernemer die voor zijn hoofdactiviteit een beroep kan doen op deze vrijstelling;
de uitleensituatie moet structureel van karakter zijn. In beginsel onbepaalde tijd. Bepaalde tijd kan, maar uit feiten en omstandigheden moet kunnen worden afgeleid dat partijen de intentie hebben de arbeidsovereenkomst om te zetten in onbepaalde tijd.
de vrijgestelde instelling waar de werknemer daadwerkelijk zijn werkzaamheden zal gaan verrichten, moet inhoudelijk zijn betrokken bij de sollicitatieprocedure
de werknemer dient zijn werkzaamheden te verrichten bij één van de in de arbeidsovereenkomst vermelde vrijgestelde instelling
op de werknemer is de CAO van toepassing die geldt voor de instelling waar de werknemer daadwerkelijk zijn werkzaamheden uitvoert
in beginsel dienen enkel de brutoloonkosten te worden doorberekend
bij beëindiging van de relatie tussen de uitlener en de inlener is de inlener verantwoordelijk voor de gevolgen daarvan voor de op dat moment bestaande arbeidsovereenkomst tussen de uitlener en de werknemer.
In de praktijk blijkt echter dat niet aan alle voorwaarden hoeft te zijn voldaan. Toch is de belastingdienst niet snel geneigd om verzoeken tot het buiten de BTW-heffing laten van terbeschikkingstelling van personeel te honoreren.(noot)

Kostenverdeelovereenkomsten
Soms is het mogelijk om samenwerking tussen partijen zonder onderlinge BTW- verrekening te effectueren als voldaan wordt aan een aantal strikte voorwaarden:

  • Er worden kosten gemaakt ten behoeve van verschillende ondernemers die in eerste instantie door één partij worden betaald
  • De kosten worden vervolgens voor het werkelijke bedrag volgens een van tevoren vaststaande verdeelsleutel over de bedoelde ondernemers omgeslagen
  • Het risico van die kosten gaat alle betrokken ondernemers volgens de overeengekomen verdeelsleutel aan

De fiscus zal steeds de actuele situatie toetsen. Dat vraagt vanuit risicomanagement een voortdurende monitoring.Zo is het absoluut noodzakelijk dat niet de fout wordt gemaakt dat op een bepaald moment alle kosten worden doorberekend aan de relaties. Uit de jurisprudentie blijkt dat er alsdan immers geen sprake meer is van “kosten voor gemene rekening”.Wat ook niet meer werkt is als er een systeem van verrekening van kosten is op basis van verrichte diensten. Dat is dus geen acceptabele BTW - vrije kostenverdeelovereenkomst! Verder is van belang om te kijken naar het moment waarop de verdeelsleutel wordt gemaakt. Dat moet vaststaan op het moment dat de kosten gemaakt worden.
Een verdergaande mogelijkheid is de fiscale eenheid. In veel gevallen is het de vraag of deze optie mogelijk en wenselijk is.
Ondernemers die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig met elkaar zijn verweven dat zij een eenheid vormen, kunnen voor de omzetbelasting als één ondernemer worden aangemerkt. Leveringen en diensten tussen de ondernemers onderling blijven buiten de heffing van omzetbelasting.
De voorwaarden zijn:
 
Financiële verwevenheid: de financiële positie en/of de financiële gedragingen van de ene vennootschap moet(en) rechtstreeks afhankelijk zijn van dan wel rechtstreeks van invloed zijn op de financiële positie van de andere vennootschap;
Organisatorische verwevenheid: de vennootschappen dienen onder één gezamenlijke, althans als eenheid functionerende, leiding staan of de leiding van de ene vennootschap is feitelijk ondergeschikt aan de leiding van de andere vennootschap;
Economische eenheid: de activiteiten van de vennootschappen strekken in hoofdzaak tot verwezenlijking van eenzelfde economisch doel.
Aan alle voorwaarden moet zijn voldaan. Daarnaast moet de inspecteur een beschikking afgeven waarbij de ondernemingen als één ondernemer worden aangemerkt. Dan is pas sprake van een fiscale eenheid

© 2005 mr. Theo Bisschops, directeur Finding Solutions B.V.

Terug naar publicaties

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Interview met Theo Bisschops over de Nederlandse gezondheidszorg


(Mr. Theo Bisschops is oud-directeur van DHV en tegenwoordig actief als adviseur bij Inventive Control Den Bosch)
In de Nederlandse gezondheidszorg is de relatie tussen prijs en kwaliteit van de zorg al jaren zoek.

Theo Bisschops: “Dat ligt eraan. Als je praat over spoedsituaties, dan is dat in Nederland adequaat geregeld. Dan vallen alle bezwaren en loketjes weg en ga je snel naar de SEH, huisartsenpost of 112. De prijs die daaraan hangt is redelijk tot goed in evenwicht met de kwaliteit. Wat betreft de normale zorgverlening is het voor mij onduidelijk wat iets kost. In de ziekenhuizen en de eerstelijnszorg gezondheidszorg hebben de prijzen niet direct iets te maken met de kosten van de behandeling. Je betaalt voor een consult maar niet voor het uitspuiten van het oor of de inhoud van het gesprek. De kwaliteit wordt vertaald in aandacht en die is in de gezondheidszorg zeer zeker aanwezig. Maar of de verwachting wordt ingelost, hangt af van de persoon om wie het op dat moment draait.”
De relatie tussen prijs en kwaliteit van de zorg kan pas zichtbaar worden als de zorgconsument zelf kan beschikken en keuzes kan maken over de besteding van de financiële middelen voor zijn zorgverlening.
Theo Bisschops: “Het zou wellicht ideaal zijn als de perfecte consument zou bestaan die alles weet, voldoende keuzemogelijkheden heeft en dat tegen een goede prijs inkoopt. Maar het is moeilijk om in het doolhof van de zorg de juiste arts op het juiste tijdstip te vinden. En dan ook nog tegen de juiste prijs die nauwelijks bekend is. Dat lukt de zorgconsument normaliter niet op eigen kompas. De huisarts kan hierin een wellicht sturende rol spelen. Op dit moment werkt het zo dat de huisarts meestal de specialist aanwijst en wel in de nabijheid van de patiënt. De huisarts is dichtbij en beschikbaar. Dan gaat het begrip kwaliteit een heel andere rol spelen.”
De overheid legt met haar (doelmatigheids)beleid te veel de nadruk op kosten en heeft te weinig oog voor kwaliteitsverbetering.
Theo Bisschops “Nee, er is sprake van een spanningsveld waarbij begrippen als doelmatigheid en kwaliteit voortdurend met elkaar strijden. Dat spanningsveld wordt mede door de overheid veroorzaakt. Dat komt omdat in Nederland de kosten van de gezondheidszorg deel uitmaken van het nationale inkomstenplaatje. Op het moment dat de kosten van de gezondheidszorg, de premiedruk, stijgen, werkt dat onmiddellijk door in de discussie over de lastendruk in Nederland. Daardoor is de gezondheidszorg deel geworden van het economische veld en wordt het vanuit dat oogpunt behandeld. Dat staat soms op gespannen voet met de beleving van de patiënt en de zorgaanbieder. Dit stelsel leent zich daarom maar moeilijk voor kwaliteitsdiscussies.”De goede kwaliteit van de zorg in Nederland is vooral een verdienste van de zorgverleners. Overheid en zorgverzekeraars hebben daaraan in afgelopen jaren nauwelijks bijgedragen.
Theo Bisschops:
“De goede kwaliteit van de zorg in Nederland is mede een verdienste van de zorgverleners. De andere partijen hebben daaraan echter ook bijgedragen. Het zorgstelsel is de afgelopen zestig jaar geworden wat het nu is en dat kwam door een samenspel tussen overheid, ziektekostenverzekeraars en zorgverleners.
Het Nederlands zorgvoorzieningensysteem hangt aan elkaar van een beetje publiek en een beetje privaat. De deelnemende partijen zijn daarom tot elkaar veroordeeld, ze zullen er samen uit moeten komen en met creativiteit zal dat ook lukken.”Doelmatigheid is pas echt te bereiken als de overheid bereid is om de bestaande zorgbudgettering (bijvoorbeeld voor huisartsenzorg, ziekenhuiszorg, geneesmiddelen) los te laten.Theo Bisschops: “Idealiter wil ik geen zorgbudgettering, want voor het bepalen van de prijs/kwaliteitsverhouding is dat economisch gezien een dilemma: daar waar je een plafond legt of grenzen aangeeft, wil men er vaak overheen vanuit kwaliteitsoogpunt. Die strijd ontstaat omdat de kosten van de gezondheidszorg en de inhoud van het pakket aan verandering onderhevig zijn. Dat heeft ook te maken met hypes en wetenschappelijke ontwikkelingen. Als je geen rem inbouwt, loopt die situatie uit de hand. Je moet er ook voor waken dat je mensen onnodig op kosten jaagt. Grondig analyseren met consumenten en beroepsorganisaties wat zorg en zorgproducten zijn lijkt mij de weg om het budget te sturen.
Als zorgverzekeraars de verantwoordelijkheid krijgen voor een goede prijs/kwaliteitverhouding, moet er gedegen worden toegezien op handhaving van de kwaliteit van de zorg. Daartoe dient de invloed en reikwijdte van de Inspectie voor de Gezondheidszorg aanzienlijk te worden uitgebreid.
Theo Bisschops: “De vraag is of die twee iets met elkaar te maken hebben. De inspectie stelt zich op als een toezichthouder die graag wil meedenken en volgens standaardisaties werkt. In mijn ogen is het onmogelijk om daarbij ook nog de politieagent te spelen. Ik geloof dat voor die handhaving van kwaliteit een zware verantwoordelijkheid blijft liggen bij de beroepsorganisaties. Zij zijn het die inhoudelijke kennis hebben; ook patiëntorganisaties zouden daarin een rol kunnen spelen. De inspectie kan in het gevoel van kwaliteitsbeleving wel een andere rol spelen. Bijvoorbeeld als beschermer van het algemeen belang en toezichthouder op kwaliteitscontroles door de beroepsgroepen".

Terug naar publicaties

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Home

Wie zijn wij

Diensten

Partners

Opdrachtgevers

Projecten

Publicaties

Contact